Hoe lang hij precies in Villa Hamer woont, weet dhr. Vlaanderen niet meer. Gebeurtenissen uit het nabije verleden en de volgorde waarin iets onlangs gebeurde, laten zich niet altijd gemakkelijk terughalen. Zijn kortetermijngeheugen laat hem steeds vaker in de steek, vertelt hij eerlijk.
Maar wie hem de ruimte geeft om verder terug te gaan, dan komen de verhalen vanzelf. Geen keurige reeks jaartallen, maar levendige beelden van een open vrachtwagen in de vrieskou, havermoutpap en roggebrood na maanden van honger, korjalen vol bouwmaterialen op een Surinaamse rivier, een gorilla op de operatietafel… En Lidy, de vrouw die hij met het geduld van een sportvisser voor zich wist te winnen. “Ik kan wel over mezelf vertellen,” zegt hij. En dat doet hij.
Van honger naar overvloed
Dhr. Vlaanderen wordt in 1932 geboren in Amsterdam, als jongste van vier broers en een zus. Als de oorlog uitbreekt, is hij acht. “Wist ik veel wat oorlog was.” Toch maakt hij de bezetting heel bewust mee. Hij ziet hoe Joodse inwoners uit hun huizen worden gehaald en beleeft razzia”s waarbij mannen worden opgepakt. Twee van zijn broers moeten als dwangarbeider naar Duitsland. Eén van hen keert ziek terug en verblijft lange tijd met longtuberculose in een sanatorium.
In het laatste oorlogsjaar bereikt de honger Amsterdam. We aten tulpenbollen en suikerbieten, vertelt dhr. Vlaanderen. Zijn oudste broer fietst op houten banden naar de Wieringermeerpolder, waar hij zeventien pond tarwe weet te bemachtigen. Op de terugweg raakt hij uitgeput en valt hij op de gladde weg. Twee mannen zeggen dat ze hem zullen helpen, maar gaan er met de tarwe vandoor. Zijn broer komt na de avondklok thuis, doodmoe en met lege handen. “Ik had hem nog nooit zien huilen, maar dat gebeurde toen.”
Als hij twaalf is wordt dhr. Vlaanderen met andere Amsterdamse kinderen naar het oosten van het land geëvacueerd. Ze reizen “s nachts, omdat alles wat overdag over de wegen rijdt vanuit de lucht kan worden beschoten. De kinderen zitten in een open vrachtwagen die op een houtgenerator rijdt. Het is bitterkoud. Onderweg vliegt de generator in brand en later begeeft de motor het helemaal. De grotere kinderen nemen de kleintjes bij de hand en lopen verder naar Raalte. Daar slapen ze in een gebouw van het Rode Kruis op stro. De volgende ochtend krijgen ze havermoutpap en roggebrood. “Ik zal het nooit vergeten.” Na de honger in Amsterdam is het een feestmaal. “We hebben ervan genoten.”
Dhr. Vlaanderen komt terecht bij een boerengezin in de omgeving van Gramsbergen. De eerste dag krijgt hij hutspot met een stuk braadworst. Zijn lichaam is zoveel voedsel niet meer gewend. Hij eet zijn buik vol en brengt daarna een etmaal met buikpijn op het toilet door. “Maar goed, toen was ik erdoorheen. Daarna heb ik net zoveel kunnen eten als ik wilde.”
Voor een jongen uit Amsterdam gaat op de boerderij een wereld open. Hij leert melken, helpt bij het poten en rooien van aardappelen en zwerft met de boerenjongens door het land. Ze vissen, klimmen in bomen en verzamelen eieren. Vooral de dieren en hun jongen fascineren hem. Als er een varken moet bevallen, haalt de boer hem soms uit bed om te komen kijken. Lange tijd denkt hij erover dierenarts te worden. Uiteindelijk kiest hij toch voor geneeskunde voor mensen. Maar de belangstelling voor dieren verdwijnt nooit helemaal.
Achter het stuwmeer
Na zijn studie geneeskunde wil dhr. Vlaanderen graag naar de tropen. Als hij in een medisch tijdschrift een advertentie ziet waarin een arts voor Suriname wordt gezocht, hoeft hij niet lang na te denken. Samen met zijn eerste vrouw vertrekt hij voor de Evangelische Broedergemeente naar het binnenland.
Zijn opdracht voert hem naar Djumu, bij de samenvloeiing van de Gran Rio en de Pikin Rio. Het ligt diep in het oerwoud, achter het gebied waar een stuwmeer zal komen. Vanuit Paramaribo is het drie tot zes dagen varen, afhankelijk van de waterstand. In de omgeving woont een grote gemeenschap die tot dan toe nauwelijks toegang heeft tot reguliere medische zorg. Wie ernstig ziek wordt, is soms een week onderweg naar het dichtstbijzijnde ziekenhuis.
Dhr. Vlaanderen begint zijn werk in een bladerhut. Later komt er een grotere hut en uiteindelijk moet er een echt ziekenhuis worden gebouwd. Dat laatste blijkt geen eenvoudige opgave. Een aannemer die het werk zo diep in het binnenland wil uitvoeren, is niet te vinden. Daarom organiseert de jonge arts de bouw zelf, samen met lokale vakmensen en enkele specialisten uit de stad.
Stenen worden ter plaatse gemaakt en gedroogd. De plaatselijke bewoners kunnen uitstekend met hout werken. Cement, dakplaten en andere materialen moeten van ver komen. Ze worden in korjalen over de rivier vervoerd, langs stroomversnellingen en watervallen. Dhr. Vlaanderen organiseert in totaal 102 van zulke transporten. Langzaam groeit de medische post uit tot een ziekenhuis.
Van alles wat hij in zijn leven heeft gedaan, behoort dat nog altijd tot de prestaties waarop hij het meest trots is. “En het staat er nog steeds.” Wanneer hij jaren later terugkeert, wordt hij hartelijk ontvangen door de arts die er dan werkt en door de inwoners van het gebied. Zijn achternaam kunnen zij niet goed uitspreken. Vlaanderen wordt Filandi. In Djumu staat hij bekend als Data Filandi: dokter Vlaanderen.
Duizenden kinderen en één gorilla
Het gezin woont vijf jaar in Suriname. Eén kind is al voor vertrek geboren, twee kinderen worden daar geboren en na terugkeer in Nederland volgt nog een vierde. De kinderen moeten uiteindelijk naar school en daarom keert het gezin terug naar Amsterdam.
In Suriname heeft dhr. Vlaanderen veel bevallingen begeleid. Vaak staat hij er alleen voor en moet hij handelingen verrichten die veel vragen van een jonge algemeen arts. Daar ontdekt hij hoeveel voldoening de verloskunde hem geeft. “Als dat goed afloopt, dan krijg je er steeds meer aardigheid in.”
Hij specialiseert zich tot gynaecoloog en werkt vervolgens 26 jaar met veel plezier in Apeldoorn. Hij helpt duizenden kinderen ter wereld. Toch is het een heel andere geboorte die hem uiteindelijk internationale aandacht oplevert. Dhr. Vlaanderen is bevriend met Wim Mager, oprichter van Apenheul. Dierenartsen hebben in die tijd weinig ervaring met mensapen, terwijl hun anatomie veel overeenkomsten vertoont met die van mensen. Zo raakt hij als gynaecoloog steeds meer betrokken bij het park.
Als gorilla Manji niet op eigen kracht kan bevallen, wordt zijn hulp ingeroepen. De bevalling duurt al lange tijd. Een keizersnede lijkt de gebruikelijke oplossing, maar dhr. Vlaanderen ziet een andere mogelijkheid. Bij een vrouw zou hij in dezelfde situatie een vacuümextractie toepassen.
“Probeer het maar,” zegt Wim Mager. De gorilla wordt onder narcose naar de operatiekamer gebracht en de ingreep slaagt. Voor zover bekend is het de eerste keer ter wereld dat een gorilla op deze manier bevalt. Het verhaal haalt eerst de Apeldoornse krant, daarna de landelijke media en uiteindelijk de televisie.
Niet te hard aan het lijntje trekken
Na 26 jaar als gynaecoloog in Apeldoorn beginnen de tropen opnieuw te trekken. De kinderen zijn volwassen en dhr. Vlaanderen is inmiddels 59. Als hij nog een keer voor langere tijd naar het buitenland wil, moet het nu gebeuren, beseft hij.
Ditmaal vertrekt hij naar Zambia. De organisatie zoekt twee artsen en krijgt tot haar verbazing twee gynaecologen die onafhankelijk van elkaar solliciteren. Een van hen blijkt een goede vriend van dhr. Vlaanderen te zijn. Als de mannen bereid zijn ook andere onderdelen van de geneeskunde uit te oefenen, zijn ze allebei welkom.
Dhr. Vlaanderen vertrekt samen met Lidy, zijn tweede vrouw. Over haar spreekt hij nog altijd met veel liefde. “Een ontzettend lieve vrouw. Een hele trouwe vrouw. Een hele verstandige vrouw. Een gevoelige vrouw.”
Toen hij Lidy ontmoette, kwam zij uit een langdurige verhouding zonder toekomst. Loskomen daarvan ging niet vanzelf. Dhr. Vlaanderen besloot haar niet op te jagen. Hij vergelijkt zijn aanpak met sportvissen. “Als je een vis aan de haak hebt, dan moet je niet meteen op gaan halen. Dan breekt het lijntje. Dus je moet het voorzichtig een beetje laten zwemmen. En dan moet je weer een beetje inhalen.”
Dat deed hij ook bij haar: ruimte geven, geduld bewaren en langzaam dichterbij komen. “Ik ben nog altijd wel een beetje trots over hoe ik het aangepakt heb.” Het lukte. Dhr. Vlaanderen en Lidy waren 34 jaar samen. Ze kreeg een goede band met zijn kinderen en samen beleefden ze hun jaren in Zambia. “Ik ben heel erg gelukkig geweest met haar.”
Lidy kreeg darmkanker en overleed. Haar afwezigheid is nog altijd voelbaar. “Ik mis haar nog steeds. Ze was een fantastische vrouw.” Juist omdat hij haar mist, wordt duidelijk hoeveel die 34 jaren hem hebben gegeven.
Een eigen ritme in Villa Hamer
De grote reizen liggen inmiddels achter hem. In Villa Hamer begint de dag met de krant. Daarna gaat dhr. Vlaanderen graag een stuk lopen. Hij leest veel, kijkt “s avonds televisie en sluit soms aan wanneer er in huis een concert wordt gegeven. Harpspelers of iemand met een gitaar: “Dat is altijd wel aardig.”
Zelf noemt hij zijn dagen weinig bijzonder. Toch klinkt ook daarin zijn behoefte door om zijn leven op zijn eigen manier voort te zetten. Hij leest wanneer hij wil lezen, loopt zijn eigen ronde en zoekt de gezelligheid op wanneer die bij hem past. Er zijn enkele medebewoners die hij kent en in de hal is geregeld iets te zien of te horen.
Zijn familie blijft belangrijk. Dhr. Vlaanderen kreeg vier kinderen. Een van zijn dochters overleed op 57-jarige leeftijd aan longkanker. Hij heeft acht kleinkinderen en inmiddels ook een achterkleinzoon. Een deel van de familie woont in het westen en de jongere generaties gaan hun eigen weg. Bij verjaardagen komen ze weer samen. Zijn jongste dochter Mirjam woont in Apeldoorn en bezoekt hem iedere woensdag.
“Dat is allemaal wel gezellig. Dat is fijn.”
Als het gesprek ten einde loopt, haalt dhr. Vlaanderen drie boekjes tevoorschijn die hij zelf heeft geschreven. Ze gaan over zijn tijd in Suriname, zijn werk als gynaecoloog en de gebeurtenissen die hij onderweg verzamelde. Hij laat ze trots zien.
Het is een klein, typerend moment aan het einde van een lang gesprek. De verhalen die hij zojuist uit zijn herinnering heeft opgediept, blijken ook op papier te bestaan. Alsof er na alles wat hij heeft verteld nog altijd nieuwe verhalen te ontdekken zijn.
Hoewel het nabije verleden zich niet altijd gemakkelijk laat terughalen, zijn de beelden die zijn leven hebben gevormd er nog: het roggebrood na de honger, de witte vlaggen bij de boerderij, de boten vol bouwmateriaal op de Surinamerivier, de gorilla op de operatietafel en Lidy, zijn lieve vrouw die hij nog elke dag mist. En ergens, diep in het Surinaamse binnenland, staat het ziekenhuis van Data Filandi nog altijd overeind.

