Mevrouw Hettema (84) zegt het met een glimlach. Alsof ze het zelf ook een beetje relativeert. “Ik ben hier nog maar jong hoor,” vertelt ze. “Gisteren is hier iemand 102 geworden. En de oudste die hier woonde, is 105 geworden.”
Sinds november 2023 woont mevrouw Hettema in Villa De Kleine Heide. Maar haar verhaal begint ver vóór de villa. Het begint bij een leven dat altijd in beweging was en bij de man met wie ze dat leven deelde.
Een leven met muziek als rode draad
“Hij was musicus,” vertelt mevrouw Hettema. Jarenlang werkte hij in grote orkesten, onder andere als concertmeester bij het Rotterdams Philharmonisch Orkest. Zijn werk bracht hen niet alleen door Nederland, maar ook ver daarbuiten. Ze woonden in Zwitserland, in Duitsland, reisden veel en leefden zo met de seizoenen van het orkest en de tours mee. “Waar mijn man ook moest werken, als het mogelijk was, ging ik mee,” vertelt mevrouw Hettema. “Dat vond ik nooit vervelend. Overal wonen mensen. Dus dat reizen maakte voor mij nooit zo uit.”
Het was een leven van samen optrekken en een vanzelfsprekende verbondenheid. Muziek speelde daarin een grote rol. Niet alleen als werk, maar als onderdeel van wie ze samen waren.
Het komt en het gaat
Veertien jaar geleden kreeg mevrouw Hettema de diagnose Parkinson. Ze benoemt het zonder drama. Parkinson is voor haar geen vastomlijnd ziektebeeld, maar iets dat komt en gaat. “Het is niet één ding,” zegt ze. “Dat denken mensen vaak. Dat je trilt. Maar dat hoeft helemaal niet.”Bij haar zit het anders. Het zit in haar lijf, maar ook in haar energie. In haar tempo. “Het is hollen of stilstaan,” zegt ze. “Zo kan het gebeuren dat ik ’s ochtends om elf uur helemaal niks kan. En dat ik om één uur ineens weer wél van alles kan.” Zelf begrijpt ze het ook niet altijd. “Heb je dan iets gedaan?” vragen mensen. “Nee,” zegt ze dan. “Ik weet het echt niet.”
Dat maakt het ingewikkeld. Voor haar omgeving, maar ook voor haarzelf. Want hoe leg je uit dat je ene moment niet vooruitkomt, letterlijk vaststaat, en een paar uur later weer kunt lopen? “Ik freeze,” zegt ze. “Dan wil mijn lichaam gewoon niet meer.”
Ze vertelt hoe verwarrend dat kan zijn. “Je denkt: waar komt dit vandaan? Is het de Parkinson? Of is het iets anders?” Alles wordt al snel op die ziekte gegooid, zegt ze. “En dat hoeft niet altijd zo te zijn.” Wat ze lastig vindt, is het onbegrip. Niet hier hoor, benadrukt ze meteen. Maar daarbuiten. “Iemand vroeg me een keer: zit het niet tussen je oren? Als het daar zat,” zegt ze, “dan had ik het wel gevonden.”
Toen het anders liep dan gedacht
Wat haar leven ingrijpend veranderde, was niet alleen haar eigen ziekte. Het was vooral dat het anders liep dan zij en haar man altijd hadden gedacht. “Wij dachten: mijn man is gezond, hij zal later wel voor mij zorgen,” zegt ze. “Maar het is omgedraaid.”
Haar man werd ziek. Tien jaar lang leefde hij met prostaatkanker, die lange tijd stabiel bleef. Maar de laatste maanden waren zwaar. Toch bleef hij thuis tot het einde. “Ik ben heel blij dat we dat zo hebben kunnen doen. Dat hij tot het einde in zijn vertrouwde omgeving was. Dat voelde goed.”
Na het overlijden van haar man woonde mevrouw Hettema nog een jaar alleen. Een jaar waarin alles stiller werd. Niet alleen in huis, maar ook in haar lijf. “Dat was een lastig jaar,” zegt ze. “Alles ging moeizaam. Niet omdat ik alleen was, maar ook omdat ik steeds meer merkte wat ik niet meer kon.”
Ze viel een paar keer. Soms zomaar. Zonder duidelijke aanleiding. En elke keer was er die vraag: wat als ik nu niet meer opsta? “Je wordt voorzichtiger,” zegt ze. “Maar ook onzeker. Want je wilt niet afhankelijk zijn. En ineens bén je dat wel.” Caroline, haar dochter, zag het van dichtbij. “Het was zwaar,” zegt ze. “Niet alleen door het gemis van mijn vader, maar ook doordat mijn moeder steeds kwetsbaarder werd. Dat komt allemaal tegelijk.”
Muziek werd te pijnlijk
Na het overlijden van haar man werd muziek – ooit zo vanzelfsprekend – te pijnlijk. “Ik kon geen muziek horen,” zegt ze. “Dat ging gewoon niet.” Ook herinneringen waren te rauw. Als tastbare herinnering maakte Caroline een fotoboek over het leven van haar vader. “Ik kon daar gewoon niet naar kijken,” zegt mevrouw Hettema.
Pas later kwam daar voorzichtig ruimte in. Op haar tempo. Nu kan ze het fotoboek weer openslaan en vindt ze het prettig om erdoorheen te bladeren. Ze luistert ook soms weer naar muziek. Niet omdat het gemis minder is geworden, maar omdat het niet meer alles bepaalt. “Maar heel af en toe, als ik het leuk heb gehad,” zegt ze, “en ik ben daarna weer alleen, dan voel ik het gemis soms juist sterker.”
Rotterdam en het verlangen naar dichtbij
Na dat jaar alleen wonen, verhuisde mevrouw Hettema naar een particulier verzorgingshuis in Rotterdam. De zorg was goed. Maar de afstand tot haar dochter was groot. Zij woonde in Son en kwam elke vrijdag. De hele dag, soms tot in de avond om de file te vermijden. Mevrouw Hettema vond dat moeilijk. “Dan moest ze door weer en wind weer naar huis,” zegt ze. “In het donker, in de spits. Dat vond ik geen prettig idee.”
Caroline beaamt dat het intens was. “Ik deed het met liefde, maar het was wel zwaar. Een bezoek was nooit ‘even’.” En ergens voelde mevrouw Hettema: ik wil dichterbij zijn. “Niet omdat ik moet, maar omdat ik dat wil.”
Een plek dichterbij
Caroline kende Villa De Kleine Heide al, ze woont al twintig jaar in Son. Samen met haar zus – die in Eswatini woont – hebben ze een rondleiding gedaan. “We waren meteen enthousiast,” zegt Caroline. Later ging mevrouw Hettema mee. “Ik zag meteen hoe licht het hier is,” zegt ze. “Vrolijk en uitnodigend. Het voelt heel prettig.”
Voor Caroline was het belangrijk dat het haar keuze bleef. “Ik heb altijd gezegd: je hoeft niks,” zegt ze. “Ik blijf met alle liefde gewoon heen en weer rijden.” Het werd haar keuze. En een goede.
“Ik kom hier soms tijd tekort”
Vooraf dacht ze dat wonen in een zorgvilla niets voor haar zou zijn. “Ik dacht echt, ik ga me stierlijk vervelen,” vertelt ze met een glimlach. “Maar het is precies andersom. Ik kom hier soms tijd tekort,” zegt ze. Ze beweegt meerdere keren per week: op klassieke muziek, op moderne muziek, stoelyoga. “Daar ben ik gewoon vier dagen druk mee.”
Er zijn activiteiten, ontmoetingen, gesprekken, een spelletje Rummikub. Ze doet mee waar ze kan. En waar iets niet meer lukt, blijft ze betrokken. “Sjoelen gaat niet meer zoals vroeger, maar ik ga wel. Dan help ik tellen,” zegt ze. Kijken naar wat nog mogelijk is, mevrouw Hettema weet inmiddels hoe ze haar dagen waardevol blijft houden. Met een knipoog voegt ze eraan toe: “En na afloop krijg je een glaasje advocaat, die wil ik niet missen.”
Ze heeft aanspraak. Praat met verschillende bewoners. Vindt het leuk om af en toe aan tafel van plek te wisselen. “Even naast iemand anders zitten. Dat vind ik leuk. Ik ben nog steeds nieuwsgierig.”
De mensen maken het verschil
Wat haar het meest raakt, is de aandacht. “Iedereen hier is zo ontzettend lief,” zegt ze. “Niks is te veel.” Caroline ziet een wereld van verschil met Rotterdam. “Het was daar soms zo onpersoonlijk. Hier is ruimte voor aandacht. Voor bewoners én voor familie. Je voelt dat in alles. Mensen worden hier gezien.”
Ook in afscheid. “Als iemand overlijdt, doen ze dat hier heel mooi,” zegt mevrouw Hettema. Bewoners worden betrokken, als ze dat willen. “We krijgen allemaal een bloem die we dan op de kist mogen leggen.” Caroline benadrukt dat niets verplicht is. “Maar je wordt wel meegenomen.” Mevrouw Hettema knikt: “Als er iets is, wordt er altijd gevraagd: doet u mee?”
“Geen toekomst meer” en toch leven
“Ik heb eigenlijk geen toekomst meer,” zegt mevrouw Hettema op een gegeven moment. Ze zegt het zonder zwaarte. Wat ze bedoelt is: dit is de laatste plek. “Ik ga hier niet meer weg,” zegt ze. “Er komt geen volgende stap meer.” Geen plannen die verder reiken dan hier. Dat besef is soms confronterend. Vooral omdat ze altijd iemand is geweest die meeging, meebewoog en weer opnieuw begon.
“Afhankelijk worden is moeilijk. Je levert veel in,” zegt ze. “Je zelfstandigheid, je keuzes. Soms zelfs kleine dingen, zoals zelf bepalen wat je eet of hoe je bepaalde dingen doet.” En toch – ze zegt het bijna verbaasd – is er ook een vorm van rust. “Ik hoéf niet meer vooruit te kijken,” zegt ze. “Ik mag er gewoon zijn.”
En zo is mevrouw Hettema vooral erg blij dat ze er nog is. Dat ze nog kan genieten. Dat haar dagen weer gevuld zijn. En dat er hier in de villa ruimte voor van alles en nog wat is. Ook dat stukje eigen regie. “Ze doen erg hun best hier, om toch die wereld groot te houden.”
Voor Caroline zit het grootste verschil in nabijheid. “Het is fijn dat ze nu dichtbij woont,” zegt ze. “Dat ik ook even langs kan voor kleinere dingen. Voor een afspraak of gewoon tussendoor.” En als ze zelf even weg is, voelt het goed. “Ben ik op vakantie? Dan weet ik dat ze het hier goed heeft.”
Door alles heen ziet Caroline dat haar moeder, ondanks alles wat ze heeft moeten inleveren, weer een thuis heeft gevonden. Een plek die haar draagt met nabijheid, een veilig gevoel en oprechte aandacht. En een leven dat, ook zonder toekomstplannen, nog steeds volwaardig meedoet.
Mevrouw Hettema kijkt om zich heen en vult Caroline mooi aan: “Het is een voorrecht om hier te mogen wonen. Het heeft even geduurd,” zegt ze, “maar met al mijn spulletjes om me heen voelt deze plek écht als mijn thuis.”

